Ferien versus Urlaub in het Duits

Wusten Sie das? Ferien versus Urlaub?

Nu de vakantie voor de deur staat, is het fijn dit in het Duits te kunnen zeggen. In het Duits zijn hier twee woorden voor, ‘Ferien’ en ‘Urlaub’. Welk woord gebruik je wanneer en wat is dan precies het verschil? Ferien versus Urlaub…

‘Ferien’ staat voor minimaal een aantal dagen of weken vrij van school, universiteit, van een instituut, of van een gerechtshof of parlement. ‘Ferien’ bestaat alleen in meervoud, ‘die Ferien’. ‘Das Parlement geht in die Ferien’. Dus: ‘Ferien machen’, ‘Ferien haben’, ‘in die Ferien fahren’.
Maar: Je kunt Urlaub nehmen maar geen Ferien…

‘Urlaub’ staat voor het aantal vrije dagen dat je per jaar bij een bedrijf of bij een overheidsinstantie krijgt als betaald verlof, met een wettelijk minimum aan vakantiedagen. ‘Urlaub’ kun je dus alleen krijgen of nemen als je werkt. “Ich habe 30 Tage Urlaub pro Jahr.” Het is trouwens ‘der Urlaub’ en altijd enkelvoud. “Ich mache Urlaub, ich nehme mir Urlaub, ich fahre in den Urlaub.”

Dan heb je ook nog ‘gesetzlich anerkannte Feiertage’ en dat zijn er nogal wat in Duitsland. Naast de dagen die wij in Nederland ook hebben, kent men ook nog ‘Tag der Deutschen Einheit’ op 3 oktober en ‘Erster Mai’ en er zijn er nogal wat die per regio verschillen.

Gaat u naar landen, regio’s of steden dan gebruikt u nach: Nach Frankreich nach Berlin.
Gaat u naar personen gebruikt u zu: zu meiner Mutter, Freundin, Bekannten enz. Gaat u naar zee, gebruikt u an das (wordt ans); Ich fahre ans Meer. Gaat u naar de bergen: “Ich fahre in die Berge.”

Blijft u thuis: “ich bleibe zu Hause, zuhause”. (Kan allebei).

Voor iedereen die inderdaad vrij is deze zomer: “Ich wünsche schöne Ferien. Ich wünsche einen schönen Urlaub!” (Ook dit kan dus allebei). Isabel@uberhaupttaaltraining.nl